Mathijs van de Waardt

Proefschrift en andere projecten

Auteur: vandewaardt (pagina 1 van 4)

‘Misdadige minnarijen’

Lange Voorhout 42

Het is onvermijdelijk. Na het publiceren van je proefschrift stuit je toch op archieven en documenten die je eigenlijk in je onderzoek had willen betrekken. Dit had ik recent bij een kwestie die me tijdens mijn onderzoek intrigeerde, maar waar ik weinig over kon vinden: de scheiding van Dirk Donker Curtius en zijn vrouw Sophia Antoinetta de Salis in 1846.

In mijn proefschrift suggereer ik dat overspel van Sophia de reden kon zijn, omdat dit destijds één van de weinige gronden voor echtscheiding was. Ik opperde de mogelijkheid dat één van de jonge juristen in de club rond Dirk hierbij betrokken was. Concluderen kon ik dat niet. De archieven van alle civiele zaken in Den Haag zijn verloren gegaan bij het bombardement op het Bezuidenhout op 3 maart 1945.

Ik had toen niet gedacht aan de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Daar vond ik recent wel de scheidingsakte en na wat verder zoeken ook kopieën van de rechtbankdocumenten. Die vertellen een aangrijpend beeld van een op de klippen gelopen huwelijk.

Dirk en Sophia trouwden op 23 maart 1831. Voor Dirk was dit zijn tweede huwelijk. Het leeftijdsverschil tussen de echtelieden was vijftien jaar. In de archieven is over hun huwelijksleven niets te vinden, totdat het in 1846 dramatisch misgaat. Op 28 april 1846 van dat jaar ontbond de rechtbank in Den Haag het huwelijk. Dirk had deze scheiding op 27 februari aangevraagd, aangezien, zo stelt het vonnis, Sophia ‘zoowel op het buitenverblijf des eischers als in Zijne woning te ’s Gravenhage en elders, bij herhaling overspel heeft gepleegd en dit aan meer dan een persoon heeft beleden’.

Een onthutsend beeld. Sophia is dus meerdere malen vreemdgegaan, zowel in Dirks stadwoning op het Lange Voorhout 42 als op zijn buiten Oud Clingendael. Donker kwam hier zelf achter, doordat Sophia een dagboek bijhield en blijkbaar ook brieven van haar minnaars bewaarde. Hij eiste dan ook onmiddellijke echtscheiding. Mochten de overgelegde papieren niet voldoende zijn, dan kon hij zelfs nog getuigen oproepen die het verhaal zouden bevestigen:

Overwegende dat de Eischer tot bewijs van het beweerd overspel zijner echtgenoote, overleggende eigenhandige dagelijksche aantekeeningen van de gedaagde, brieven van dezelve en brieven van anderen aan haar, heeft geconcludeerd primario dat de Regtbank, op de overgelegde bewijsstukken regtsprekende ten principale, zal verklaren het huwelijk der partijen door echtscheiding ontbonden, en subordinaat, voor het geval dat de regter onvoldoende mogt oordelen het geleverd bewijs, dat hij Eischer zal worden toegelaten tot nader bewijs van de door hem tegen de Gedaagde gestelde daadzaken door getuigen.

Iets verder in het vonnis lezen we in meer detail over Sophia’s handel en wandel:

Overwegende nu dat uit de gezamenlijke overgelegde geschriften in verband beschouwd volledig blijkt dat de gedaagde, zoowel te ’s Gravenhage, de woonplaats der partijen, als op andere plaatsen, waar de gedaagde tijdelijk vertoefde, gedurende de laatste jaren, met onderscheidene manspersonen, die in de gemelde geschriften met enkele letters worden aangeduid, ook wel met name zijn genoemd, liefdehandel heeft aangeknoopt en onderhouden; dat de gedaagde in de gemeenschappelijke woning in de stad en op het buitenverblijf der partijen, terwijl bepaalde voorzorgen werden genomen om ontdekking voor te komen, en ook op andere plaatsen buiten de gemeenschappelijke woning, herhaalde geheime ontmoetingen en bijeenkomsten met de aangeduide manspersonen heeft gehad en zich geheel aan die personen heeft overgegeven; – gelijk de gedaagde met zeer opmerkelijke naauwkeurigheid het ontstaan dier misdadige minnarijen, de voortgang daarvan en hare verschillende gewaarwordingen daarbij, in het dagboek opteekende, en ten duidelijkste heeft aangetoond tot welk uiterste zij is gevallen en dat zij hare huwelijkstrouw heeft ten offer gebracht.

Buitenverblijf Oud-Clingendaal

Het is niet verbazend dat de rechtbank de echtscheiding direct uitsprak. Sophia was hierbij niet aanwezig. Zij had de wijk genomen naar Parijs en liet zich door een advocaat vertegenwoordigen. Op 2 mei werd haar daar in het bijzijn van de Nederlandse gezant Robert Fagel een afschrift van het vonnis overhandigd. Hoe ze hierop reageerde, weten we niet. Sophia’s advocaat liet wel weten dat ze haar schuld niet ontkende. Ook Dirks gevoelens kennen we niet, al laten die zich wel raden. Voor tijdgenoten was de scheiding een dankbaar onderwerp van spot. Leidse hoogleraar Van Assen wist in januari 1845 al van het overspel. In een brief aan Groen van Prinsterer schrijft hij over Sophia: ‘Men zegt dat zij bevrucht is door de vrucht. Er was wat moois van te maken. Zeg het niet voort’.

Ondanks speurwerk ben ik niets meer over Sophia tegengekomen. In 1874 overlijdt ze in het Duitse Boppard aan de Rijn. Met wie ze is vreemdgegaan is dus niet te achterhalen. Het zou één van de jonge juristen geweest kunnen zijn, maar er waren dus meer mannen. Voor het verhaal zou het mooi zijn als Sophia’s dagboek en brieven – waarin dus initialen en namen van haar minnaars staan – nog zouden opduiken. Het vonnis zegt dat deze geschriften

zijn geschreven om geheim te blijven, en alleen tot eigene herinnering en die tegen den wil van de Gedaagde in de magt van den Eischer zijn gekomen, volstrekt alle vermoeden uitsluiten, dat hier tusschen de partijen eenige collusie zoude kunnen bestaan.

Ik maak me geen illusies, waarschijnlijk heeft ze (of Dirk) die na deze smadelijke geschiedenis vernietigd. Maar voor wie me aan die documenten kan helpen, staat hoe dan ook een goede fles wijn te wachten!

Een klokkenluider in de Arnhemsche Courant

Vandaag precies 180 jaar geleden, op 14 februari 1839, schreef de liberale Arnhemsche Courant:

(Van zeer goeder hand wordt ons het volgende toegezonden).

Postkantoor te Leiden

Het schijnt te blijken, dat de brieven op het postkantoor te Leiden soms worden geopend. Men verzoekt de redactie der Arnhemsche Courant, gelijk die der andere dagbladen, dit ter algemeene kennis willen brengen; tot waarschuwing van ieder, die brieven naar of te Leiden in te zenden heeft; tot waarschuwing bovenal van de algemeene administratie, gehouden en gezind om den ingezeten te dekken tegen een misbruik van vertrouwen, niet min schandelijk of hatelijk dan eenig ander, waartegen men den regter te hulp roept.

Dit korte artikel bleek de opmaat naar een langslepende rechtszaak, waarin de persvrijheid centraal stond. Dirk Donker Curtius verdedigde uitgever Carl Albert Thieme van de Arnhemsche Courant in cassatie bij de Hoge Raad. Thieme was bij de rechtbank en het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf en boete, maar Donker wist de Hoge Raad te bewegen dit vonnis te vernietigen. Een paar jaar geleden heb ik geschreven over het belang van deze zaak voor de vrije pers.

180 jaar na publicatie is het de vraag wie de ‘zeer goeder hand’ is geweest die het verhaal aanhangig had gemaakt. Pershistoricus Sautijn Kluit dacht in de tweede helft van de negentiende eeuw dat de bron van het verhaal het liberale Kamerlid Lodewijk Casper Luzac was. Ondanks dat Donker de bron omschreef als een ‘braaf, eerlijk, gezeten, waarheidlievend mensch’, lijkt het niet waarschijnlijk dat iemand als hij zijn reputatie op het spel wilde zetten als zijn betrokkenheid bij deze anonieme berichtgeving zou uitkomen. Bovendien adviseerde hij de directeur van het postkantoor ook om een klacht in te dienen bij de openbaar aanklager.

Gerard Hooykaas, die de briefwisseling van Thorbecke uitgaf, suggereerde dat de Leidse hoogleraar meer van de zaak afwist. Volgens de Leidse advocaat Dillié was het een student die melding had gemaakt van het openen van de brieven en Thorbecke legde een buitengewone interesse voor deze ‘studentenzaak’ aan de dag. Thorbecke had vele leerlingen die zijn populaire grondwetscolleges volgden, maar zijn collega Van Assen suggereerde dat één van de gebroeders Olivier met de zaak te maken had.

De oudste Olivier, Nicolaas, was advocaat in Leiden en reisde niet lang na de publicatie van het artikel naar Arnhem om voorbereidingen te treffen voor een mogelijk persproces. Jongere broer Willem studeerde net in Leiden en zou het gerucht van het openen van de brieven kunnen hebben opgevangen en aan de krant hebben gemeld.

Feit is dat in het proces een Leidse boekhandelaar werd opgeroepen om wiens brieven het ging. Deze boekhandelaar zou deze gebeurtenis vervolgens aan een van zijn Leidse klanten gemeld kunnen hebben, misschien wel de jonge student Willem Olivier. Nicolaas zou dan vervolgens om zijn broer uit de wind te houden naar Arnhem gereisd zijn om met zijn advies de zaak te dienen.

Dit is allemaal echter speculatief. Totdat er eventueel nieuwe bronnen ontdekt worden, blijft de bron van het verhaal in de Arnhemsche Courant ongewis.

Een beslissende maartdag

De optocht waar Van Bevervoorde op handen werd gedragen

Vandaag precies 170 jaar geleden, woensdag 15 maart 1848, was een cruciale dag voor Dirk Donker Curtius – en voor de geschiedenis van Nederland. Op die dag veranderde het leven van de Haagse advocaat voorgoed en legde koning Willem II de basis voor de grondwet van 1848, die zou uitmonden in de parlementaire democratie zoals we die tegenwoordig kennen.

Donker, 55 jaar oud, had zich al zijn hele leven ingespannen voor staatsrechtelijke hervormingen, zoals ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen voor de Tweede Kamer. Die inspanningen bestonden er vooral uit dat hij krantenartikelen schreef, brochures publiceerde en politieke processen voerde. In de jaren veertig probeerde hij een paar keer verkozen te worden in de Tweede Kamer, maar zonder resultaat.

In maart 1848 keerde het tij. Koning Willem II nodigde op 13 maart de voorzitter van de Tweede Kamer uit en deelde hem mee dat hij een voorstel tot grondwetsherziening wilde van de Tweede Kamer, dus buiten zijn ministers om. Hij voelde zich onder druk gezet, niet alleen omdat er in omringende landen revoluties uitbraken, maar ook omdat hij gechanteerd werd met zijn ‘schandelijke en onnatuurlijke lusten’. Hij nam liever zelf het initiatief dan dat hij door de gebeurtenissen overrompeld werd.

De Kamer ging uiteen in de diverse afdelingen, maar dit ging de koning niet snel genoeg. Op die cruciale woensdag 15 maart nodigde hij Lodewijk Casper Luzac, samen met Donkers jeugdvriend De Kempenaer het meest vooruitstrevende Kamerlid, uit op het paleis.

Donker zelf had ondertussen niet stilgezeten. Hij spoorde zijn vrienden van de Amsterdamse liberale Amstelsociëteit aan om druk uit te oefenen op de koning bij zijn bezoek aan de hoofdstad door een demonstratie te organiseren. Zelf had hij ook dergelijke plannen in Den Haag. Die woensdagochtend had hij Adriaan van Bevervoorde en een aantal anderen – democraten, liberalen, radicalen – bij hem thuis uitgenodigd. Daar werden plannen gesmeed om die avond een optocht te houden om de eis voor een liberale grondwet kracht bij te zetten. Van Bevervoorde had hiervoor wel geld nodig, dat Donker hem ter plekke verstrekte. Dat er hier en daar een ruit zou sneuvelen, vond Donker niet erg.

Die avond vond er in de straten van Den Haag inderdaad een fakkeloptocht plaats, die langs de huizen van Donker en Luzac trok en ook halt hield voor het paleis van Willem II. Hier gebeurde iets opmerkelijks: de koning kwam naar buiten en gaf Van Bevervoorde een hand, terwijl hij de dag erna voor een drukpersdelict veroordeeld werd!

Donker had ondertussen andere prioriteiten. Luzac, die een zwakke indruk maakte en na het zien van Van Bevervoordes optocht erg was geschrokken, noemde bij de koning direct Donkers naam. Nog voor de audiëntie had hij met Donker en De Kempenaer overlegd en ze waren tot de conclusie gekomen dan een grondwetscommissie de beste optie was. Een lijst met mogelijke leden maakten ze ook al. Donderdag verscheen Donker zelf voor het eerst bij de koning. Hij toonde de doortastendheid waar de koning in onzekere tijden naar op zoek was. De grondwetscommissie, waarvan Thorbecke voorzitter zou worden, was een dag later rond.

Omdat alle ministers waren afgetreden, had de koning dringend behoefte aan nieuwe bewindspersonen. Hij vroeg Donker minister van Justitie te worden. Totdat twee weken later ook andere ministers werden benoemd, had hij feitelijk alleen de touwtjes in handen. Met zijn optreden was Donker binnen enkele dagen van politieke outsider tot steun en toeverlaat van de koning geworden.

De dertiende penning

Donker heeft zowel in zijn brochures en krantenartikelen als in zijn pleidooien voor de rechtbank altijd gestreden tegen gewoonterecht. Bevoegdheden die niet in wetten waren vastgelegd, maar waren gebaseerd op traditie en gewoonte wees hij principieel af. Hij speelde zichzelf het duidelijkst in de kijker toen hij streed tegen hoogheemraadschappen die recht spraken. Nergens was in de wet vastgelegd dat zij die bevoegdheid hadden. De heemraadschappen baseerden zich op de gewoonte van het ancien regime.

Donker greep elke mogelijke rechtszaak aan om zijn protest tegen oude ongeschreven rechten te laten horen. In 1839 stond hij een aantal cliënten bij die bewaar hadden tegen de dertiende penning. Deze dertiende penning was een middeleeuwse belasting bij de overdracht van grond, vooral geheven in het noordwesten van de provincie Utrecht. Het was een heerlijk recht, dat oorspronkelijk werd uitgeoefend door de leenheer die een stuk land ter ontginning had uitgegeven. Bij elke verkoop van het ontgonnen land moest een dertiende deel van de koopsom aan de oorspronkelijke leenheer worden betaald. Eeuwen later, toen deze rechten al lang in andere handen waren overgegaan, en de gronden al verschillen malen waren verkocht, werd de dertiende penning nog steeds geheven. Over de uitoefening van dat recht was nagenoeg niets vastgelegd, zodat onduidelijke situaties ontstonden. Samen met zijn Amsterdamse collega Samuel Lipman bestreed Donker de uitoefening van dit ongeschreven, en daarmee in zijn ogen willekeurige, recht.

Dat lukte niet. Hoewel aan de rechtsmacht van heemraden al in 1841 bij wet een einde kwam, zou de dertiende penning pas in 2015 worden afgeschaft. Hiertoe was al in 1984 een wet aangenomen, die de dertiende penning dertig jaar verhoogde naar 11% (in plaats van 7,7%), om de rechthebbenden eerst te compenseren en deze rechten vervolgens af te schaffen. Voor huizenkopers in de vijf gemeenten waar de penning nog tot en met 2014 werd geheven was de vreugde op nieuwjaarsdag 2015 dan ook logischerwijze groot.

De Latijnse Muntunie

Voor het oktobernummer van het blad ‘Filatelie’ heb ik een artikel geschreven over de Latijnse Muntunie (1865-1926). Hierin schets ik een korte geschiedenis van deze voorloper van de euro en maak ik daarnaast een vergelijking tussen de posttarieven van de aangesloten landen in deze tijd. Het artikel is hier te vinden.

Donkers regeringsprogramma

De Tweede Kamer rond 1860

Nu er bijna een nieuw kabinet aantreedt, zullen de coalitiepartijen ook weer een regeerakkoord presenteren. Hoewel politieke partijen in ‘coalitieland Nederland’ al meer dan een eeuw overeenstemming moeten hebben over het te voeren beleid, is het fenomeen regeerakkoord van relatief recente datum. Vóór de jaren zestig kwamen de partijen die met elkaar wilden regeren vaak slechts een regeringsprogramma overeen.

In tegenstelling tot een regeerakkoord, waaraan de Tweede Kamerfracties van de coalitiepartijen zich committeren, is een regeringsprogramma een door de formateur opgestelde lijst van beleidsvoornemens waar met name kandidaat-ministers die tot een kabinet toetreden zich in moeten kunnen vinden. In dit laatste geval zijn Kamerleden van coalitiepartijen veel vrijer om zich op te stellen tegenover het door de regering gevoerde beleid.

In de negentiende eeuw was het opstellen van een regeringsprogramma geen gewoonte, laat staan het sluiten van een regeerakkoord. Er waren immers ook geen partijen in de moderne zin van het woord die zich aan afspraken konden binden. Ministers werden door de koning benoemd en het vertrouwen werd met name in de persoon van de aantredende bewindspersoon gesteld. Zo kon het zijn dat uitgesproken liberale ministers met collega’s van behoudende signatuur in één kabinet zitting namen.

Donker was echter wel voorstander van regeringsprogramma’s. Nadat Gerrit Schimmelpenninck in mei 1848 als voorzitter van de ministerraad was afgetreden omdat hij het niet eens was met de voorgestelde grondwetsherziening, presenteerde Donker in de Tweede Kamer het programma van de overgebleven en nieuw aangetreden ministers. Hij stelde dat de herziening gewoon doorgang moest vinden en ontvouwde daarnaast een uitgebreid bezuinigingsprogramma. Dit deed hij nog eens dunnetjes over toen de ministersploeg in november van dat jaar definitief werd aangesteld.

De ministersploeg was geen lang leven beschoren en de koning vroeg Donker en zijn collega Lightenvelt (‘Licht en Donker’) te zoeken naar een alternatief kabinet. Thorbecke was de gedoodverfde kandidaat voor het leiderschap hiervan. Donker, die wist dat koning Willem III een duidelijke aversie had tegen de Leidse hoogleraar, suggereerde de koning daarom om hem een programma te vragen, net zoals Donker dat zelf eerder had gegeven. De Thorbeckiaanse pers was verbolgen over de ‘vernederingen’ die Donker hun leider liet ondergaan. Toen Thorbecke dan ook resoluut weigerde en Kamervoorzitter Van Goltstein werd benaderd, haastte Donker zich om zelf een programma op te stellen, formeel om te laten zien hoe eenvoudig dit was, maar feitelijk om de formatie te bespoedigen. Van Goltstein besefte daarop in welke slangenkuil hij zich bevond, trok zich terug en Thorbecke kwam weer in beeld. Donker wist dat hij nu aangekeken zou worden op alle vertraging die de formatie opliep en wist niet hoe snel hij zich moest ontdoen van het formateurschap. Thorbecke werd daarop door de koning benoemd tot formateur en binnen enkele dagen had hij zijn kabinet – zonder schriftelijk programma – rond. Toen Donker en Groen van Prinsterer vervolgens in de Tweede Kamer Thorbecke alsnog een programma probeerden te ontlokken, antwoordde deze met zijn beroemd geworden uitspraak: ‘Wacht op onze daden!’.

Donker was wat betreft zijn vraag om een programma zijn tijd vooruit. Tegenwoordig zijn er weinigen die nog in twijfel trekken dat een aantredend kabinet ten minste de belangrijkste uitgangspunten van het nieuwe beleid op papier moet zetten. Dit leidt over het algemeen dan wel weer tot veel langere formaties dan in de negentiende eeuw het geval was…

Politieke komkommertijd

Nu de formatiebesprekingen weer zijn begonnen en er zelfs vanuit de onderhandelende partijen gelekt lijkt te worden, nadert de komkommertijd zijn einde. De NOS dook onlangs in de geschiedenis van het begrip ‘komkommertijd’ en kwam tot de conclusie dat dit al aan het eind van de achttiende eeuw werd gebruikt.

Ook in de negentiende eeuw was ‘komkommertijd’ een bekend begrip. Via krantenzoekmachine Delpher (overigens een schatkamer aan informatie voor de politiek historicus) stuitte ik op een aardig artikel in de Vlissingsche Courant van 25 augustus 1845, een krant waaraan Donker in die periode meewerkte. Elk vakgebied, zo betoogt het artikel, heeft zijn eigen komkommertijd, maar de politieke komkommertijd is ‘de tijd, waarop de Leden der Staten-Generaal niet zijn vergaderd, en er dus weinig leven in de Staats-brouwerij is’:

‘Gedurende dien tijd is gewoonlijk de geheele Natie in eenen politischen slaap; de dagbladschrijvers weten bijna niet, waarmede hunne kolommen te vullen.’

Enigszins sarcastisch merkte de krant op dat de tijd dat de Tweede Kamer wél vergaderde beter ‘knollen- of kooltijd’ genoemd kon worden: ‘want dat er gedurende de zittingen der Kamers veel kool gedebiteerd, en nog meer knollen voor citroenen verkocht worden, om zich van deze waarheid te overtuigen, behoeft men de laatst gehoudene discussiën slechts vlugtig na te gaan’. Dit was niet verwonderlijk. Het bericht verscheen in de krant een paar maanden nadat de Tweede Kamer Thorbeckes voorstel tot grondwetsherziening – het Negenmannenvoorstel – weigerde in behandeling te nemen.

Aan de komkommertijd zou volgens de krant snel een einde komen. Nederland moest snel ontwaken uit de ‘politischen slaap’ waarin het was gesukkeld. Het artikel voorspelde dat de roep om een grondwetsherziening zou aanhouden en de Tweede Kamer snel zou moeten ophouden met ‘het lanterfanten en flaneren langs de bane der Politiek’. Het zou echter nog een goede tweeëneenhalf jaar duren voordat de koning overstag ging en een nieuwe grondwet geschreven kon worden. Hopelijk is de huidige komkommertijd sneller voorbij.

De Eerste Kamer als compromis

De Eerste Kamer in 1862

De Eerste Kamer in 1862

Donker stond als advocaat en publicist bekend om zijn felheid en vasthoudendheid. Toen hij in maart 1848 minister van Justitie werd, toonde hij echter ook een veel pragmatischer kant. Zo liet hij bij de behandeling van de grondwetsvoorstellen in de zomer van 1848 zien ook buigzaam te kunnen zijn.

In het voorstel van de grondwetscommissie, waarin Thorbecke de grootste hand had gehad, zou de Eerste Kamer net als de Tweede Kamer direct worden gekozen. De census was echter wel een stuk hoger, zodat alleen degenen die de allerhoogste directe belastingen betaalden stemrecht voor de senaat zouden krijgen. Daarnaast waren alleen ‘aanzienlijke Nederlanders’ verkiesbaar.

Tijdens de behandeling van de ontwerpen in de Tweede Kamer was Thorbecke van mening veranderd. Het liefst zag hij dat de Eerste Kamer helemaal afgeschaft zou worden. Hij was op dat moment zelf geen Kamerlid, maar verschillende van zijn medestanders wel. Zij articuleerden de visie van de Leidse hoogleraar tijdens de debatten in de Kamer.

Aan de andere kant waren er ook veel conservatieve Kamerleden die in directe verkiezingen het gevaar van teveel volksinvloed zagen. In het evenwicht tussen monarchie, aristocratie en democratie vreesden zij dat de balans teveel zou doorslaan naar de laatste.

Donker zag dat de grondwetsvoorstellen het op deze manier in de Tweede Kamer (en in de nog conservatievere Eerste Kamer) niet zouden redden. Vlak voor de plenaire behandeling kwam hij daarom met een wijziging: de senaat zou toch getrapt worden verkozen, waarbij de Provinciale Staten zouden fungeren als kiescollege. Hiermee voerde hij een ‘aristocratisch’ element door in de door velen als te democratisch beschouwde grondwet.

In de debatten hamerde Donker er vervolgens op dat hij de Eerste Kamer als een ‘dam’ zag tegen overijlde volksinvloed. Hiermee probeerde hij het conservatieve deel van het parlement gerust te stellen. Donker slaagde in zijn strategie. Het hoofdstuk over directe verkiezing van de Tweede Kamer (en de getrapte van de senaat) werd door de Eerste Kamer ternauwernood aangenomen, en ook pas na tussenkomst van de koning. Nog steeds wordt de Eerste Kamer door Provinciale Staten verkozen. Hiermee is het compromis bijna 170 jaar na dato opmerkelijk genoeg nog steeds van kracht.

‘Mijnheer de president, ik vraag een koetshuis’

Een advocaat aan het werk in de Engelse Old Bailey in 1842

Een advocaat aan het werk in de Engelse Old Bailey in 1842

De vereniging van Nederland en België in 1815 ging niet zonder slag of stoot. Eén van de belangrijkste verschillen betrof de taal. Werd in het noorden Nederlands gesproken, in het zuiden was Frans de voertaal. Om de eenheid te bevorderen voerde Willem I een agressieve taalpolitiek. Als gevolg hiervan werd ook de voertaal in de zuidelijke rechtbanken Nederlands.

Hier hadden nogal wat zuidelijke advocaten die het Nederlands niet machtig waren grote moeite mee. Toen een niet nader genoemde advocaat voor een Belgische rechtbank een verzoek wilde indienen voor de teruggave (‘remise‘) van een bepaalde zaak, pakte hij een groot woordenboek en verklaarde vervolgens ‘Mijnheer de president, ik vraag een koetshuis’. De president riep verbaasd ‘Wat!’, waarop de advocaat stoïcijns herhaalde dat hij een koetshuis (‘une remise pour voitures‘) wilde, de rechtbank in vertwijfeling achterlatend.

Het was deze taalpolitiek die één van de aanleidingen voor de Belgische afscheiding in 1830 zou vormen. Donker had deze problemen niet. Hij was zowel het Nederlands als Frans machtig. Hoewel hij in nauw contact stond met zijn Belgische vakgenoten, zijn er geen aanwijzingen dat hij ooit voor een Belgische rechtbank heeft gepleit.

Een avontuurlijke buurvrouw op het Lange Voorhout

ata

Henriette en Alexandrine

Donker woonde vanaf 1825 op het Lange Voorhout 42. Vijf huizen bij hem vandaan woonde de familie Tinne. Nadat vader Tinne overleden was en een grote som geld naliet toonde dochter Alexandrine haar avontuurlijke kant. In 1862, op 26-jarige leeftijd, reisde ze samen met haar moeder Henriette van Capellen de Nijl af tot Zuid-Soedan. Deze reis zou ze niet veel later nog een keer maken.

Nadat moeder Henriette in Soedan was overleden, maakte Alexandrine een reis ver de Sahara in. Ze was de eerste westerse vrouw die dit gebied in trok. Dat dit soort reizen in deze tijd niet zonder gevaar was bleek wel in 1869, toen haar karavaan aangevallen werd door Toearegs. Ze liep sabelhouwen en schotwonden op waaraan ze zou overlijden.

Redmond O’Hanlon heeft enkele jaren geleden voor de VPRO een tweetal afleveringen aan moeder en dochter Tinne gewijd, zie hier en hier.

Naast een avontuurlijk reizigster was Alexandrine ook bijzonder geïnteresseerd in fotografie. Eind 1860 en begin 1861 maakte ze een aantal foto’s van het Lange Voorhout. Deze geven een goed beeld hoe Donkers straat er in de laatste jaren dat hij er woonde eruit gezien moet hebben. Onderstaande foto’s zijn afkomstig uit het Haags Gemeentearchief.

11a10a9a8a7a6a5a4a3a2a1a

Oudere berichten

© 2019 Mathijs van de Waardt

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑