gerickeHoewel de grenzen van het nieuwe koninkrijk op het Congres van Wenen vastgesteld zijn, is er nog veel onduidelijkheid over de afbakening en het eigendom van percelen daarbinnen. De persoon die hier meer dan enig ander een bijdrage aan heeft geleverd is Paul Gericke, een even ijverige als ambitieuze ambtenaar.

 

Genaturaliseerd tot Nederlander

Gericke ziet in 1785 in het Duitse Kleef het levenslicht. Hij is afkomstig uit de kleine burgerij. Zijn vader is werkzaam bij diverse overheidsinstellingen. Gericke volgt in de voetsporen van zijn vader en begint zijn loopbaan op zestienjarige leeftijd als schrijver bij een overheidsdienst in Kleef. Tot 1813 heeft hij verschillende, vooral financiële functies en maakt hij snel carrière.

 

In dat jaar hebben de geallieerde mogendheden na het vertrek van de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden een voorlopig bestuur gevormd. Gericke trekt daarheen met de opdracht om het financiële beheer te reorganiseren. De commissaris-generaal van Financiën, Appelius, is onder de indruk van zijn kunnen en daarom wordt Gericke benoemd tot commissaris van Financiën in Luik. Hij gaat er weliswaar in salaris op achteruit, maar Appelius belooft hem een goede ambtelijke toekomst in het nieuw gevormde koninkrijk. Ambitieus als Gericke is, laat hij zich ook omdat zijn moeder Nederlandse is naturaliseren.

 

Een landelijk kadaster

Tot 1823 vervult Gericke diverse functies in Luik, maar zijn loopbaanontwikkeling is tot stilstand gekomen. Gebrand op het maken van carrière, beklaagt hij zich bij koning Willem I. Door bemiddeling van Appelius wordt hij in 1824 administrateur voor de Registratie en de Loterijen en verhuist hij naar Den Haag. Als in januari 1826 een nieuw hypothecair stelsel wordt ingevoerd, wordt Gericke verantwoordelijk voor de landelijke kadastrering.

 

Gericke gaat voortvarend te werk: tussen 1826 en 1831 vaardigt hij een totaal van 111 circulaires uit. In deze circulaires komen tal van onderwerpen aan bod: hij maakt metingen en schattingen eenvoudiger en voert andere berekeningsmethoden in voor de waarde van de percelen en de opbrengst van landbouwproducten. Daarnaast verhoogt hij de personele capaciteit om het project te laten slagen. Er komen meer landmeters en ook neemt hij 25 beambten aan die ondersteunen bij het schattingswerk.

 

Het daadwerkelijke meetwerk wordt gedaan door controleurs en schatters, die lokaal worden aangeworven. In elke provincie vestigt Gericke hiertoe een speciaal bureau van het kadaster. Ook krijgt elke provincie een inspecteur, die er niet zelden zelf op uittrekt om het meetwerk te controleren. Het uiteindelijke toezicht op de landmetingen valt toe aan een landelijke hoofdingenieur die Gericke aanstelt.

 

Strijd met Financiën

Paul Gericke is als administrateur ondergebracht bij het departement van Ontvangsten. Als dit departement in 1831 overgaat in het departement van Financiën worden veel taken daar naartoe overgebracht. Voor wat betreft het kadaster krijgt Gericke een uitzonderingspositie: hij blijft hoofd van een algemeen bestuur en als zodanig slechts aan de koning verantwoording schuldig. Dit leidt al snel tot een competentiestrijd met minister van Financiën Van Tets van Goudriaan.

 

Wanneer de voltooiing van het kadaster nadert, bepleit Gericke dat al die verzamelde gegevens ook worden bijgehouden, zodat alle inspanningen niet voor niks zijn geweest. Daarom publiceert hij in 1832 een verordening met daarin 85 artikelen over de instandhouding van het kadaster. Van Tets meent echter dat hij daarmee zijn bevoegdheid te buiten gaat. Hij beklaagt zich over de kostbaarheid van de operatie en het feit dat ‘staatsambtenaar’ Gericke zijn verordening zonder ruggespraak heeft uitgegeven. De koning komt tussenbeide: het kadaster moet in stand blijven, maar wordt na afronding overgedragen aan het departement van Financiën. Ondertussen gaat Gericke gewoon door met het uitgeven van verordeningen en circulaires.

 

Gouverneur van Limburg

Gericke meent ondertussen voor zijn verdiensten recht te hebben op een adellijke titel. Hij probeert al in 1822 adeldom te verkrijgen en in 1833 neemt Willem I hem als jonkheer op in de adelstand. De door hem zo gewenste titel van baron zou echter pas aan zijn zoon toevallen. Ook koopt hij de heerlijkheid Herwijnen – een landgoed zonder landhuis – met als voornaamste doel deze naam aan zijn achternaam toe te kunnen voegen.

 

Uiteindelijk wordt het kadaster in 1834 overgeheveld naar Financiën en krijgt Gericke eervol ontslag. De koning stelt Gericke aan als gouverneur van Limburg, wat hij tot zijn dood zal blijven. Hoewel verheugd met deze positie steekt het hem dat hij niet ook tot minister van staat wordt benoemd. Hij overlijdt in 1845 in Maastricht.