philipseAls Nederland in 1810 bij het Franse Keizerrijk ingelijfd wordt, gaan er Franse wetten gelden. Na de onafhankelijkheid worden direct pogingen ondernomen om eigen Nederlandse wetboeken op te stellen. Het blijkt een moeizaam proces, waarbij Anthoni Willem Philipse een belangrijke rol speelt.

 

Franse en Nederlandse wetten

Op 11 december 1813, enkele dagen na zijn terugkeer, kondigt de dan nog soeverein vorst Willem per besluit aan dat de Franse strafwet, de Code Pénal , gehandhaafd blijft. Hij voert echter wel wijzigingen door. Hij heft de algemene verbeurdverklaring van goederen van veroordeelden op en de levenslange dwangarbeid verdwijnt. Ook de guillotine wordt afgeschaft: de doodstraf zou alleen nog door middel van de galg of het zwaard worden uitgevoerd. De eerste vijftien artikelen over de op te leggen straffen zijn van de hand van Philipse.

 

Invloedrijke jurist

Philipse wordt al op zeventienjarige leeftijd klerk aan het hof van Vlaanderen in Middelburg. Als twintigjarige gaat hij in Leiden rechten studeren, om vier jaar later weer in zijn geboortestad terug te keren. Hij vervult diverse functies in overheidsdienst en wordt in 1795 president van de rechtbank in Middelburg en acht jaar later procureur-generaal bij het gerechtshof in diezelfde stad. In 1811 wordt hij benoemd tot advocaat-generaal bij het Keizerlijk Gerechtshof in Den Haag.

 

Wanneer de Fransen vertrekken en de naam van de hoogste rechtbank verandert in Hooggerechtshof wordt Philipse procureur-generaal. Tegelijkertijd is hij belast met het toezicht op de politie in de Noordelijke Nederlanden, totdat deze taak in april 1818 onder het departement van Justitie komt te vallen. Hij is op dat moment een van de meest invloedrijke juristen in het land.

 

Op zoek naar een eigen rechtssysteem

In 1814 vraagt Willem I aan Philipse om als onderdeel van een codificatiecommissie het Burgerlijk Wetboek te herzien. De commissie gaat voortvarend te werk en stuurt precies een jaar na instelling een ontwerp met 480 artikelen naar de Raad van State. Als uitgangspunt kiest de commissie de wetboeken die in 1809 onder Lodewijk Napoleon zijn ontworpen en een goede balans hebben tussen het oud-Nederlandse en het Franse recht. De vereniging van Nederland en België in juni 1815 verhindert echter de behandeling: koning Willem I besluit dat ook Zuid-Nederlandse juristen naar de ontwerpen moeten kijken.

 

Een nieuwe commissie, waar ook Philipse deel van uitmaakt, moet een ontwerp opleveren dat aan de wensen van de Belgen tegemoet komt. In maart 1819 is de commissie klaar, maar er zijn diverse bezwaren tegen het nieuwe ontwerp en de koning houdt het doorsturen naar de Raad van State aan. Ondertussen wordt de aversie tegen de Franse wetgeving minder en daalt de urgentie tot herziening van het rechtssysteem.

 

Geheime politie

Behalve bekwaam jurist is Philipse ook gezagsgetrouw ambtenaar. Hij voert het repressieve beleid van toenmalig minister van Justitie Van Maanen dan ook braaf uit. Hiertoe ontwikkelt hij een aantal controle-instrumenten, waaronder een netwerk van agenten dat hem op de hoogte houdt van vermeende staatsgevaarlijke activiteiten. Deze geheime politie speurt onder meer in koffiehuizen en andere etablissementen naar mogelijke opponenten van de regering.

 

In eerste instantie richt Philipse zijn pijlen op Bonapartistische Fransen, maar niet veel later zijn ook kritische journalisten en zelfs ambtenaren onderwerp van onderzoek. Philipse houdt ook de publieke opinie in de gaten. Hij treedt in zijn rol als procureur-generaal regelmatig op tegen kritische bladen. De Grondwet van 1815 garandeert weliswaar drukpersvrijheid, maar alleen als er geen personen worden beledigd. Dit laatste argument grijpt Philipse regelmatig aan om uitgevers en redacteuren te vervolgen voor negatieve berichtgeving over de koning of de regering.

 

Hoge Raad

Alle juridische commissies leiden uiteindelijk in 1826 tot een nieuw ontwerp voor een rechtssysteem. Tegelijkertijd wordt een wet op de inrichting van de rechterlijke macht voorbereid. Het voornemen is om ze in 1831 in te voeren, maar door de afscheiding van België moeten beide weer worden herschreven. De herziening van het Burgerlijk Wetboek komt tenslotte pas in 1838, na de afscheiding van België, tot stand. De Code Pénal wordt uiteindelijk in 1886 vervangen door Nederlandse wetten.

 

In hetzelfde jaar 1838 wordt de rechterlijke macht gereorganiseerd en ontstaat de Hoge Raad als rechter in cassatiezaken. Philipse wordt de eerste president. Pas in 1845, drie dagen voor zijn dood op 78-jarige leeftijd, legt hij als gevolg van zijn achteruitgaande gezondheid deze functie neer.