vanlennepEen opmerkelijke figuur die zich in 1848 in de grondwetsdiscussie mengde, was de conservatieve letterkundige Jacob van Lennep. Van Lennep betoogde dat de overgrote zwijgende meerderheid van Amsterdam helemaal niet op een liberale grondwetsherziening zat te wachten, zoals Donker Curtius beweerde. Hij gaf daarnaast aan dat hij Donkers burgerlijke zin “aan schuitroefjens en theekoepeltjens, aan pantoffels en kwispedooren, aan rymelaryen op eerste tandjes, aan schilderijtjens van binnenhuizen en molentjens, aan alles wat niet schoon, niet edel, niet verheven is, doet denken”.

Van verschillende kanten werd Van Lennep sterk bekritiseerd. Hem werd verweten dat hij net zo min als Donker voor het zwijgende deel van de natie kon spreken en dat uit brochures en krantenartikelen wel degelijk bleek dat een groot deel van het land op directe verkiezingen en politieke ministeriële verantwoordelijkheid zat te wachten. Zijn criticasters hadden er daarnaast geen goed woord voor over dat Van Lennep zich als letterkundige in politieke zaken mengde.

Wat de buitenwacht echter niet wist, was dat Donker en Van Lennep bevriend waren. Donker kon de spot en ironie van Van Lenneps betoog dan ook wel inzien en tilde niet te zwaar aan zijn kritiek. Donker greep de inmenging van de letterkundige echter ook aan om het grondwetsontwerp te verbeteren. In de ministerraad stelde hij voor om Van Lennep naar de taal en stijl van het voorstel te laten kijken. De ministers gingen akkoord en Donker stuurde zijn vriend de ontwerpen met het verzoek taalkundige opmerkingen te geven. Ook liet hij weten niet onwelwillend tegenover inhoudelijke kritiek te staan. Binnen enkele dagen stuurde hij zijn opmerkingen aan Donker terug. Dit liet overigens onverlet dat een aantal Tweede Kamerleden tijdens de behandeling van de herziening kritiek hadden op taal en stijl van de artikelen. Van Lennep werd bedankt voor zijn revisies en kreeg onder meer een goede plek toebedeeld bij de inhuldiging van koning Willem III in 1849 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.