Vandaag precies 180 jaar geleden, op 14 februari 1839, schreef de liberale Arnhemsche Courant:

(Van zeer goeder hand wordt ons het volgende toegezonden).

Postkantoor te Leiden

Het schijnt te blijken, dat de brieven op het postkantoor te Leiden soms worden geopend. Men verzoekt de redactie der Arnhemsche Courant, gelijk die der andere dagbladen, dit ter algemeene kennis willen brengen; tot waarschuwing van ieder, die brieven naar of te Leiden in te zenden heeft; tot waarschuwing bovenal van de algemeene administratie, gehouden en gezind om den ingezeten te dekken tegen een misbruik van vertrouwen, niet min schandelijk of hatelijk dan eenig ander, waartegen men den regter te hulp roept.

Dit korte artikel bleek de opmaat naar een langslepende rechtszaak, waarin de persvrijheid centraal stond. Dirk Donker Curtius verdedigde uitgever Carl Albert Thieme van de Arnhemsche Courant in cassatie bij de Hoge Raad. Thieme was bij de rechtbank en het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf en boete, maar Donker wist de Hoge Raad te bewegen dit vonnis te vernietigen. Een paar jaar geleden heb ik geschreven over het belang van deze zaak voor de vrije pers.

180 jaar na publicatie is het de vraag wie de ‘zeer goeder hand’ is geweest die het verhaal aanhangig had gemaakt. Pershistoricus Sautijn Kluit dacht in de tweede helft van de negentiende eeuw dat de bron van het verhaal het liberale Kamerlid Lodewijk Casper Luzac was. Ondanks dat Donker de bron omschreef als een ‘braaf, eerlijk, gezeten, waarheidlievend mensch’, lijkt het niet waarschijnlijk dat iemand als hij zijn reputatie op het spel wilde zetten als zijn betrokkenheid bij deze anonieme berichtgeving zou uitkomen. Bovendien adviseerde hij de directeur van het postkantoor ook om een klacht in te dienen bij de openbaar aanklager.

Gerard Hooykaas, die de briefwisseling van Thorbecke uitgaf, suggereerde dat de Leidse hoogleraar meer van de zaak afwist. Volgens de Leidse advocaat Dillié was het een student die melding had gemaakt van het openen van de brieven en Thorbecke legde een buitengewone interesse voor deze ‘studentenzaak’ aan de dag. Thorbecke had vele leerlingen die zijn populaire grondwetscolleges volgden, maar zijn collega Van Assen suggereerde dat één van de gebroeders Olivier met de zaak te maken had.

De oudste Olivier, Nicolaas, was advocaat in Leiden en reisde niet lang na de publicatie van het artikel naar Arnhem om voorbereidingen te treffen voor een mogelijk persproces. Jongere broer Willem studeerde net in Leiden en zou het gerucht van het openen van de brieven kunnen hebben opgevangen en aan de krant hebben gemeld.

Feit is dat in het proces een Leidse boekhandelaar werd opgeroepen om wiens brieven het ging. Deze boekhandelaar zou deze gebeurtenis vervolgens aan een van zijn Leidse klanten gemeld kunnen hebben, misschien wel de jonge student Willem Olivier. Nicolaas zou dan vervolgens om zijn broer uit de wind te houden naar Arnhem gereisd zijn om met zijn advies de zaak te dienen.

Dit is allemaal echter speculatief. Totdat er eventueel nieuwe bronnen ontdekt worden, blijft de bron van het verhaal in de Arnhemsche Courant ongewis.