Vandaag las ik een berichtje op de site van de Universiteit Leiden over een initiatief om burgers te betrekken bij voorstellen om de grondwet te herzien. Hierin komen enkele hardnekkige misverstanden over de grondwet van 1848 naar voren. Omdat ik ze vaker lees, wijd ik er toch een paar woorden aan.

Het nieuwsbericht begint met de zin: ‘Tweehonderd jaar nadat Thorbecke de nieuwe Nederlandse Grondwet schreef, wordt deze nog steeds regelmatig bijgeschaafd’. Dat is evident onjuist: in 1815 werd er inderdaad een nieuwe grondwet geschreven, maar Thorbecke was op dat moment als zeventienjarige net begonnen met een studie aan het Atheneum Illustre in Amsterdam. Grote man van de grondwet van 1815 was Gijsbert Karel van Hogendorp.

Terecht wordt iets verder geconstateerd dat Thorbecke de discussie over de grondwet voedde, maar hij was zeker niet de enige die het debat aanzwengelde. Zo kwam Donker in 1840 met ‘Proeve eener nieuwe Grondwet’, waarin ook hij een nieuwe grondwet presenteerde. Ook andere liberalen – nog los van de vraag of je Thorbecke in 1840 al als liberaal kan beschouwen – hadden constitutionalisme als uitgangspunt: staatsvernieuwing moest volgens hen in eerste instantie voorkomen uit een grondwetsherziening. Eerlijk is eerlijk, Thorbecke was wel de eerste die de grondwet vanuit rechtswetenschappelijk oogpunt beschouwde.

Bonter wordt het in de laatste alinea:

‘Koning Willem II benoemde Thorbecke tot voorzitter van de grondwetscommissie die een grondwetswijziging moest voorbereiden. In 1848 nam deze commissie een nieuwe Grondwet aan, gebaseerd op het werk van Thorbecke. Hiermee legde Thorbecke de basis voor de langst gebruikte grondwet van Nederland. Pas in 1983 werd deze compleet vernieuwd en vervangen door de huidige variant.’

Hier wemelt het van de fouten:

  • Allereerst benoemde Willem II Thorbecke niet tot voorzitter van de grondwetscommissie. Op voorspraak van Donker werden vijf leden benoemd, die vervolgens Thorbecke tot voorzitter kozen.
  • Ten tweede nam de commissie geen grondwet aan. Zij presenteerde alleen op 11 april een grondwet aan de koning, die deze vervolgens via de ministerraad aan het parlement aanbood. Het aannemen van de grondwet gebeurde pas nadat Willem II op 11 oktober zijn handtekening had gezet. Dit kon hij pas doen nadat de Tweede Kamer tweemaal (éénmaal in dubbele afvaardiging) en ook de Eerste Kamer tweemaal hun goedkeuring aan de voorstellen hadden gegeven.
  • Ten derde: de commissie gaf Thorbecke inderdaad veel vrijheid in het ontwerp – overigens was er grote mate consensus welke wijzigingen doorgevoerd moesten worden – maar tussen april en oktober zijn er nog substantiële aanpassingen in het ontwerp doorgevoerd. Het feit dat de Eerste Kamer door Provinciale Staten wordt verkozen, was geen idee van Thorbecke, maar werd door Donker voorgesteld, nadat hij merkte dat directe verkiezingen niet op parlementaire steun konden rekenen. Ook met betrekking tot onder meer godsdienstvrijheid en het recht van vereniging en vergadering voerde Donker wijzigingen door ten opzichte van het ontwerp van de commissie.
  • Ten slotte: Thorbecke zelf was weinig te spreken over wat er van ‘zijn’ ontwerp na de beraadslagingen in het parlement was overgebleven. In zijn ‘Bijdrage tot de herziening der Grondwet’ dat in augustus verscheen, veegde hij de vloer aan met de wijzigingen en zijn vroegere commissiegenoten.

Sommige van de in het artikel genoemde aannames lijken hardnekkig te zijn. Al met al reden om deze in een biografie van Donker recht te zetten.