Mathijs van de Waardt

Proefschrift en andere projecten

Maand: mei 2015

Vier portretten van markante ambtenaren

ambtenarenVoor het boek “Ambtenaren! 200 jaar werken aan Nederland in 100 portretten” heb ik een viertal portretten geschreven. Deze portretten heb ik eerder ook op dit blog gezet:

Voor de liefhebbers is het boek hier te bestellen. Ook is er een website met meer informatie over de achtergrond van het project.

In de voetsporen van Donker (1)

Donker was naar alle waarschijnlijkheid een frequente bezoeker van het Belgische kuuroord Spa. In ieder geval was hij in augustus 1839 in de badplaats, toen Nederlandse kranten melding maakten van diefstallen in enkele hotels. Donkers koffer, waarin volgens de krant “eene aanzienlijke soms gelds” bevond, werd geprobeerd open te breken, maar zonder resultaat. Ook gedurende zijn ministerschappen maakten de kranten er melding van als Donker zich buiten de Hofstad bevond. Wellicht reisde hij toen ook af naar Spa.

In ieder geval speelden de laatste momenten van Donkers leven zich in de Belgische stad af. Vanaf halverwege 1863 begon hij te kwakkelen met zijn gezondheid en in juli 1864 voelde de 71-jarige Donker zich dusdanig slecht, dat hij weer een reis naar Spa ondernam. Zijn neef Cornelis Boot was op dat moment met zijn familie in het kuuroord. Donker arriveerde op 17 juli per trein in Spa, waar hij op het station doodziek in de armen van zijn neef viel.

stationspastationsbord

Boot bracht hem naar het Hôtel d’Orange, waar Donker ’s avonds nog een warme maaltijd at. Dit bleek zijn laatste te zijn: op de avond van zijn aankomst in Spa, overleed Donker Curtius in het hotel.

Het Hôtel d’Orange was één van de bekendste en meest luxe hotels van de stad. Het werd voor het eerst genoemd in 1669 en was gevestigd aan de Rue Royale, de doorgaande weg door Spa. In de tijd van Donker bestond het uit 54 kamers, en daarnaast nog uit diverse salons, eetzalen, zes keukens en zes kelders, ruimte voor twintig paarden en een grote tuin met fruitbomen. In 1904 werd het hotel afgebroken om plaats te maken voor de uitbreiding van het casino. Van de plek waar Donker is overleden is zodoende niets herkenbaars meer over. Er staan nu roulettetafels en fruitautomaten.

HoteldOrangecasino

Donker werd op 19 juli begraven op het protestantse deel van het kerkhof onder een eenvoudige steen. Op deze steen staan slechts de woorden: “Dirk Donker Curtius, décédé le 17 juilliet 1864 à Spa à l’age de 71 ans”. Donker is betrekkelijk anoniem begraven, lokaal weet vrijwel niemand iets van zijn achtergrond. De lokale historicus Pierre Lafagne heeft in 1976 een boekje over het kerkhof geschreven en beschreef daarin ook Donkers grafsteen. Niet alleen noemde hij hem abusievelijk “Dunker Curtius”, ook deelde hij hem in bij een hoofdstuk over Britse koloniale beambten, die hun laatste levensjaren in Spa sleten en hier begraven liggen.

steenbegraafplaats

Bij mijn komst was er overduidelijk al een tijd niet meer naar Donkers grafsteen omgekeken. Ik weet dat er in ieder geval in 2004 nog iemand naar het kerkhof is afgereisd om Donkers graf te bekijken, maar het is goed mogelijk dat daarna niemand meer aandacht aan zijn laatste rustplaats heeft geschonken. Een deel van het graf was bedekt met grind, terwijl aan weerszijden het onkruid langs de steen groeide. Het koste weinig moeite om de begroeiing en het zand te verwijderen, om zo alle letters op het graf weer leesbaar te maken. Gelukkig was de steen nog heel, wat niet gezegd kan worden van vele andere graven uit die tijd op het kerkhof. Voor nu ligt het enige tastbare bewijs van Donkers aanwezigheid in Spa er goed bij, tot er over tien jaar wellicht weer iemand anders langskomt.

Donker overleed in ieder geval in het land waarmee hij een bijzondere band had: niet alleen was hij tijdens de Belgische opstand in Brussel, ook bracht hij de Belgische grondwet in 1848 ter tafel als model voor de Nederlandse.

De noodzaak voor een biografie van Donker Curtius

ddcDe reden om een biografie over Donker Curtius te schrijven is gelegen in het feit dat hij in de geschiedenis bijna helemaal vergeten is. Behalve een Franstalige biografie uit 1876 en een hoofdstuk in een boek over het negentiende-eeuws liberalisme uit 1992 is er weinig over hem geschreven, dit in schril contrast met de man die gewoonlijk vereenzelvigd wordt met het jaar 1848: Thorbecke. Er zijn echter verschillende redenen waarom het jammer is dat Donker in de literatuur over parlementaire geschiedenis altijd in de schaduw van Thorbecke heeft gestaan.

Allereerst is Donker in de twintig jaar voorafgaand aan de grondwetsherziening van 1848 veel meer de stem van de liberalen dan Thorbecke. Hij geldt in die periode als ‘eerste liberaal in den lande’, die vanaf 1818 in de rechtszaal voor drukpersvrijheid pleitte en zich vanaf 1825 middels brochures en krantenartikelen uitsprak voor een onafhankelijke rechterlijke macht, ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen.

Ten tweede is hij veel representatiever voor de liberale politicus in de negentiende eeuw: wel overtuigd van de liberale zaak, maar een stuk pragmatischer dan Thorbecke en ook bereid om met opponenten samen te werken. Ten slotte, en dat is misschien nog wel zijn belangrijkste verdienste, heeft Donker Curtius ervoor gezorgd dat er geen grote tegenkrachten tegen de grondwetsherziening konden ontstaan, door behendig te schipperen tussen de koning en de liberale en conservatieve vleugels in het parlement. Daarnaast wist hij in de maartdagen van 1848 als interim-minister van Justitie (mede) de rust te bewaren, wat hem bij zijn voormalige conservatieve opponenten in achting deed stijgen.

Anders dan Thorbecke, die in het centrum van de politieke macht bleef tot zijn dood in 1872, trok Donker zich in 1856 uit de openbaarheid terug. Bij zijn dood in 1864 was hij al goeddeels vergeten, ook omdat veel eerdere medestanders zich rond Thorbecke hadden geschaard. Zoals er in de jaren ’50 en ’60 een groep Thorbeckianen ontstond, zo geïsoleerder kwam Donker te staan. Zeker toen hij toetrad tot een kabinet waarin ook Van Hall zitting had, had hij in de ogen van de liberalen afgedaan.

Doel van mijn onderzoek is dan ook een herwaardering van Dirk Donker Curtius, niet alleen voor de periode waarin hij deelnam aan de actieve politiek (1848-1856), maar ook daarvoor, toen hij als advocaat in een aantal spraakmakende zaken en als publicist wegbereider was voor de totstandkoming van een liberale stroming in de Nederlandse politiek.

Een liberale grondwet. Anthony van Rappard (1799-1869)

vanrappard2Hoewel de totstandkoming van de Grondwet van 1848 de uitkomst is van een proces tussen koning, grondwetscommissie en Kamer, spelen op de achtergrond ambtenaren een belangrijke rol. Iemand die nadrukkelijk bij alle ontwikkelingen rond 1848 betrokken is, is Anthony van Rappard, directeur van het Kabinet des Konings.

 

Van advocaat tot ambtenaar

Na zijn rechtenstudie is Van Rappard (geboren in 1799 te Utrecht) kort advocaat, waarna een lange carrière in publieke dienst volgt. Hij begint als commies en werkt later als referendaris bij de afdeling Onderwijs van het ministerie van Binnenlandse Zaken. In april 1838 wordt hij benoemd als griffier van de Staatssecretarie onder Willem I, die later onder Willem II wordt vervangen door het Kabinet des Konings.

 

De koning benoemt Van Rappard als eerste directeur van deze nieuwe organisatie. Daarnaast benoemt Willem II hem tot secretaris van de ministerraad, waardoor hij als tussenpersoon tussen de koning en ministers een belangrijke positie in het staatsbestel krijgt. Van Rappard is discreet en volgt getrouw de instructies van de koning. Het is waarschijnlijk hierdoor dat deze laatste hem vertrouwt en bijzonder waardeert.

 

Revolutiejaar 1848

Willem II is lang afkerig van een grondwetsherziening, maar ziet onder druk van de liberale Kamerleden in dat er aanpassingen nodig zijn. In oktober 1847 geeft hij aan bereid te zijn een herziening toe te staan en stelt een grondwetscommissie in met Van Rappard als secretaris. Die gaat echter voorbij aan de belangrijkste punten van de liberalen: politieke ministeriële verantwoordelijkheid, directe verkiezingen en vrijheid van drukpers, vereniging en vergadering.

 

Wanneer de wetsontwerpen begin maart 1848 openbaar worden, is de publieke reactie dan ook afwijzend. De voorstellen gaan niet ver genoeg. Niet alleen in Nederland, ook elders in Europa doen de liberalen van zich spreken. Eind februari barsten in Parijs opstanden los en in verschillende Duitse staten breken protesten uit waarbij de vorsten concessies doen aan de liberalen. Wanneer ook in Nederland de onrust over de grondwetswijziging toeneemt, besluit Willem dan ook toe te geven.

 

Grondwetsherziening

Op 13 maart laat hij de voorzitter van de Tweede Kamer weten dat hij toch akkoord zal gaan met een liberale grondwet. De ministers treden af en Willem benoemt een nieuwe grondwetscommissie, waarin onder meer Thorbecke, Donker Curtius en Luzac zitting nemen. Donker Curtius eist daarbij dat de commissie ook een stem krijgt bij de invulling van de vrijgevallen ministersposten.

 

In eerste instantie verzet Van Rappard zich tegen dat voorstel en noemt het “een liberale staatsgreep”. Hij adviseert de koning om niet akkoord te gaan met het dubbele mandaat van de commissie, maar Willem legt het advies naast zich neer. Van Rappard accepteert vervolgens de lijn die de koning uitzet. Hij is aanwezig bij alle belangrijke gesprekken in maart 1848. Hij blijft de steun en toeverlaat van de koning en samen ijveren zij om de grondwetsherziening spoedig door beide Kamers te krijgen.

 

Aan het eind van 1848 bedanken de koning en Donker Curtius hem dan ook voor zijn steun en diensten in het voorbije jaar. Van Rappard blijft tot 1854 directeur van het Kabinet des Konings. In dat jaar wordt hij minister van Hervormde Eredienst, totdat hij in 1856 wordt benoemd als minister van Binnenlandse Zaken. Hij overlijdt in Utrecht op 1 april 1869.

 

Het belang van de nieuwe grondwet

De Grondwet van 1848 vormt de basis voor ons huidige staatsbestel. Het introduceert naast de eerdergenoemde politieke ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen ook koninklijke onschendbaarheid, openbaarheid van vergadering en een grote uitbreiding van de rechten van beide Kamers, vrijheid van drukpers, onderwijs, vereniging en vergadering en scheiding van kerk en staat. Mede door het opreden van Van Rappard, die net als Willem II meebeweegt met de veranderende tijden, kan deze grondwet in november 1848 afgekondigd worden en verloopt dit jaar, anders dan in veel andere Europese staten, in Nederland relatief rustig.

Het koninkrijk in kaart. Paul Gericke (1785-1845)

gerickeHoewel de grenzen van het nieuwe koninkrijk op het Congres van Wenen vastgesteld zijn, is er nog veel onduidelijkheid over de afbakening en het eigendom van percelen daarbinnen. De persoon die hier meer dan enig ander een bijdrage aan heeft geleverd is Paul Gericke, een even ijverige als ambitieuze ambtenaar.

 

Genaturaliseerd tot Nederlander

Gericke ziet in 1785 in het Duitse Kleef het levenslicht. Hij is afkomstig uit de kleine burgerij. Zijn vader is werkzaam bij diverse overheidsinstellingen. Gericke volgt in de voetsporen van zijn vader en begint zijn loopbaan op zestienjarige leeftijd als schrijver bij een overheidsdienst in Kleef. Tot 1813 heeft hij verschillende, vooral financiële functies en maakt hij snel carrière.

 

In dat jaar hebben de geallieerde mogendheden na het vertrek van de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden een voorlopig bestuur gevormd. Gericke trekt daarheen met de opdracht om het financiële beheer te reorganiseren. De commissaris-generaal van Financiën, Appelius, is onder de indruk van zijn kunnen en daarom wordt Gericke benoemd tot commissaris van Financiën in Luik. Hij gaat er weliswaar in salaris op achteruit, maar Appelius belooft hem een goede ambtelijke toekomst in het nieuw gevormde koninkrijk. Ambitieus als Gericke is, laat hij zich ook omdat zijn moeder Nederlandse is naturaliseren.

 

Een landelijk kadaster

Tot 1823 vervult Gericke diverse functies in Luik, maar zijn loopbaanontwikkeling is tot stilstand gekomen. Gebrand op het maken van carrière, beklaagt hij zich bij koning Willem I. Door bemiddeling van Appelius wordt hij in 1824 administrateur voor de Registratie en de Loterijen en verhuist hij naar Den Haag. Als in januari 1826 een nieuw hypothecair stelsel wordt ingevoerd, wordt Gericke verantwoordelijk voor de landelijke kadastrering.

 

Gericke gaat voortvarend te werk: tussen 1826 en 1831 vaardigt hij een totaal van 111 circulaires uit. In deze circulaires komen tal van onderwerpen aan bod: hij maakt metingen en schattingen eenvoudiger en voert andere berekeningsmethoden in voor de waarde van de percelen en de opbrengst van landbouwproducten. Daarnaast verhoogt hij de personele capaciteit om het project te laten slagen. Er komen meer landmeters en ook neemt hij 25 beambten aan die ondersteunen bij het schattingswerk.

 

Het daadwerkelijke meetwerk wordt gedaan door controleurs en schatters, die lokaal worden aangeworven. In elke provincie vestigt Gericke hiertoe een speciaal bureau van het kadaster. Ook krijgt elke provincie een inspecteur, die er niet zelden zelf op uittrekt om het meetwerk te controleren. Het uiteindelijke toezicht op de landmetingen valt toe aan een landelijke hoofdingenieur die Gericke aanstelt.

 

Strijd met Financiën

Paul Gericke is als administrateur ondergebracht bij het departement van Ontvangsten. Als dit departement in 1831 overgaat in het departement van Financiën worden veel taken daar naartoe overgebracht. Voor wat betreft het kadaster krijgt Gericke een uitzonderingspositie: hij blijft hoofd van een algemeen bestuur en als zodanig slechts aan de koning verantwoording schuldig. Dit leidt al snel tot een competentiestrijd met minister van Financiën Van Tets van Goudriaan.

 

Wanneer de voltooiing van het kadaster nadert, bepleit Gericke dat al die verzamelde gegevens ook worden bijgehouden, zodat alle inspanningen niet voor niks zijn geweest. Daarom publiceert hij in 1832 een verordening met daarin 85 artikelen over de instandhouding van het kadaster. Van Tets meent echter dat hij daarmee zijn bevoegdheid te buiten gaat. Hij beklaagt zich over de kostbaarheid van de operatie en het feit dat ‘staatsambtenaar’ Gericke zijn verordening zonder ruggespraak heeft uitgegeven. De koning komt tussenbeide: het kadaster moet in stand blijven, maar wordt na afronding overgedragen aan het departement van Financiën. Ondertussen gaat Gericke gewoon door met het uitgeven van verordeningen en circulaires.

 

Gouverneur van Limburg

Gericke meent ondertussen voor zijn verdiensten recht te hebben op een adellijke titel. Hij probeert al in 1822 adeldom te verkrijgen en in 1833 neemt Willem I hem als jonkheer op in de adelstand. De door hem zo gewenste titel van baron zou echter pas aan zijn zoon toevallen. Ook koopt hij de heerlijkheid Herwijnen – een landgoed zonder landhuis – met als voornaamste doel deze naam aan zijn achternaam toe te kunnen voegen.

 

Uiteindelijk wordt het kadaster in 1834 overgeheveld naar Financiën en krijgt Gericke eervol ontslag. De koning stelt Gericke aan als gouverneur van Limburg, wat hij tot zijn dood zal blijven. Hoewel verheugd met deze positie steekt het hem dat hij niet ook tot minister van staat wordt benoemd. Hij overlijdt in 1845 in Maastricht.

Een Nederlands rechtssysteem. Antoni Willem Philipse (1766-1845)

philipseAls Nederland in 1810 bij het Franse Keizerrijk ingelijfd wordt, gaan er Franse wetten gelden. Na de onafhankelijkheid worden direct pogingen ondernomen om eigen Nederlandse wetboeken op te stellen. Het blijkt een moeizaam proces, waarbij Anthoni Willem Philipse een belangrijke rol speelt.

 

Franse en Nederlandse wetten

Op 11 december 1813, enkele dagen na zijn terugkeer, kondigt de dan nog soeverein vorst Willem per besluit aan dat de Franse strafwet, de Code Pénal , gehandhaafd blijft. Hij voert echter wel wijzigingen door. Hij heft de algemene verbeurdverklaring van goederen van veroordeelden op en de levenslange dwangarbeid verdwijnt. Ook de guillotine wordt afgeschaft: de doodstraf zou alleen nog door middel van de galg of het zwaard worden uitgevoerd. De eerste vijftien artikelen over de op te leggen straffen zijn van de hand van Philipse.

 

Invloedrijke jurist

Philipse wordt al op zeventienjarige leeftijd klerk aan het hof van Vlaanderen in Middelburg. Als twintigjarige gaat hij in Leiden rechten studeren, om vier jaar later weer in zijn geboortestad terug te keren. Hij vervult diverse functies in overheidsdienst en wordt in 1795 president van de rechtbank in Middelburg en acht jaar later procureur-generaal bij het gerechtshof in diezelfde stad. In 1811 wordt hij benoemd tot advocaat-generaal bij het Keizerlijk Gerechtshof in Den Haag.

 

Wanneer de Fransen vertrekken en de naam van de hoogste rechtbank verandert in Hooggerechtshof wordt Philipse procureur-generaal. Tegelijkertijd is hij belast met het toezicht op de politie in de Noordelijke Nederlanden, totdat deze taak in april 1818 onder het departement van Justitie komt te vallen. Hij is op dat moment een van de meest invloedrijke juristen in het land.

 

Op zoek naar een eigen rechtssysteem

In 1814 vraagt Willem I aan Philipse om als onderdeel van een codificatiecommissie het Burgerlijk Wetboek te herzien. De commissie gaat voortvarend te werk en stuurt precies een jaar na instelling een ontwerp met 480 artikelen naar de Raad van State. Als uitgangspunt kiest de commissie de wetboeken die in 1809 onder Lodewijk Napoleon zijn ontworpen en een goede balans hebben tussen het oud-Nederlandse en het Franse recht. De vereniging van Nederland en België in juni 1815 verhindert echter de behandeling: koning Willem I besluit dat ook Zuid-Nederlandse juristen naar de ontwerpen moeten kijken.

 

Een nieuwe commissie, waar ook Philipse deel van uitmaakt, moet een ontwerp opleveren dat aan de wensen van de Belgen tegemoet komt. In maart 1819 is de commissie klaar, maar er zijn diverse bezwaren tegen het nieuwe ontwerp en de koning houdt het doorsturen naar de Raad van State aan. Ondertussen wordt de aversie tegen de Franse wetgeving minder en daalt de urgentie tot herziening van het rechtssysteem.

 

Geheime politie

Behalve bekwaam jurist is Philipse ook gezagsgetrouw ambtenaar. Hij voert het repressieve beleid van toenmalig minister van Justitie Van Maanen dan ook braaf uit. Hiertoe ontwikkelt hij een aantal controle-instrumenten, waaronder een netwerk van agenten dat hem op de hoogte houdt van vermeende staatsgevaarlijke activiteiten. Deze geheime politie speurt onder meer in koffiehuizen en andere etablissementen naar mogelijke opponenten van de regering.

 

In eerste instantie richt Philipse zijn pijlen op Bonapartistische Fransen, maar niet veel later zijn ook kritische journalisten en zelfs ambtenaren onderwerp van onderzoek. Philipse houdt ook de publieke opinie in de gaten. Hij treedt in zijn rol als procureur-generaal regelmatig op tegen kritische bladen. De Grondwet van 1815 garandeert weliswaar drukpersvrijheid, maar alleen als er geen personen worden beledigd. Dit laatste argument grijpt Philipse regelmatig aan om uitgevers en redacteuren te vervolgen voor negatieve berichtgeving over de koning of de regering.

 

Hoge Raad

Alle juridische commissies leiden uiteindelijk in 1826 tot een nieuw ontwerp voor een rechtssysteem. Tegelijkertijd wordt een wet op de inrichting van de rechterlijke macht voorbereid. Het voornemen is om ze in 1831 in te voeren, maar door de afscheiding van België moeten beide weer worden herschreven. De herziening van het Burgerlijk Wetboek komt tenslotte pas in 1838, na de afscheiding van België, tot stand. De Code Pénal wordt uiteindelijk in 1886 vervangen door Nederlandse wetten.

 

In hetzelfde jaar 1838 wordt de rechterlijke macht gereorganiseerd en ontstaat de Hoge Raad als rechter in cassatiezaken. Philipse wordt de eerste president. Pas in 1845, drie dagen voor zijn dood op 78-jarige leeftijd, legt hij als gevolg van zijn achteruitgaande gezondheid deze functie neer.

Aan de tekentafel van Europa. Godert van der Capellen (1778-1848)

vandercapellenDe Europese mogendheden besluiten tijdens het Congres van Wenen over de toekomst van Europa. Eén Nederlander speelt een belangrijke rol als aan tafel de speelkaarten geschud en de landkaarten ingetekend worden: Godert van der Capellen.

 

Snelle carrière

Van der Capellen studeert als telg uit een adellijke familie rechten in Utrecht en Göttingen. Hij begint zijn loopbaan in 1803, tijdens de Bataafse Republiek, en maakt rap carrière: zijn eerste positie is die van secretaris der departementale rekenkamer te Utrecht. Amper twee jaar later wordt hij lid van de Raad van Financiën. Nadat de Bataafse Republiek is vervangen door een koninkrijk benoemt koning Lodewijk Napoleon hem in 1807 tot secretaris-generaal van het departement Utrecht. Het jaar erna zendt hij Van der Capellen voor een missie naar Oost-Friesland om hem het jaar daarop, in mei 1809, te benoemen tot minister van Eredienst en Binnenlandse Zaken. Hij is op dat moment net dertig jaar oud.

 

Van der Capellen laat zien dat hij niet klakkeloos de eisen van Napoleon volgt. Als Frankrijk Nederland inlijft en het land onderdeel van Napoleons keizerrijk wordt, trekt hij zich uit het openbare leven terug en weigert hij nog langer een publieke functie aan te nemen. Wanneer hij echter over de landing van prins Willem in Scheveningen hoort, keert Van der Capellen direct terug. Hij wordt benoemd tot commissaris-generaal van het departement Zuiderzee en later tot secretaris van staat voor de ZuidNederlandse provincies in Brussel. Hij onderbreekt die functie echter voor een bijzondere missie van de prins.

 

Op missie voor de prins

Willem stuurt Godert van der Capellen in januari 1815 namelijk als buitengewoon gevolmachtigde naar het Congres van Wenen. Formeel wordt Nederland vertegenwoordigd door Engeland, maar naast Van der Capellen zijn ook G.C. van Spaen van Voorstonden en de Duitse diplomaat Hans von Gagern aanwezig om Willems belangen te behartigen. Hun formele opdracht in Wenen is om de Duitse bezittingen van het Huis van Oranje, die in de Franse tijd verloren zijn gegaan, veilig te stellen.

 

Volgens Van der Capellen is deze opdracht echter een dekmantel: hij bericht zijn medegezanten dat hun eigenlijke missie is het laten toetreden van Willem tot een alliantie van Engeland, Frankrijk en Oostenrijk tegen de invloeden van met name Pruisen en Rusland. Willem weet dat Van der Capellen een briefwisseling met de Russische grootvorstin Catharina Paulowna onderhoudt en drukt hem op het hart dit voor haar geheim te houden, temeer daar zij ook op het Congres aanwezig is. Ondanks pogingen van haar om hem informatie te ontfutselen, zwijgt hij.

 

Op 19 maart 1815 keert Van der Capellen uit Wenen terug. In de formele opdracht slaagt hij niet. Volgens hemzelf is over het verlies van de Duitse vorstendommen al besloten voordat hij in Wenen aankomt. Als vergoeding moet Willem genoegen nemen met het Hertogdom Luxemburg. Wel weet hij te bewerkstelligen dat dit een groothertogdom wordt. In zijn geheime opdracht is Van der Capellen echter wel succesvol: hij zorgt ervoor dat namens de drie geallieerde staten Lord Castlereagh, Talleyrand en Von Metternich het verbond tekenen. Daarnaast bericht Van der Capellen Willem ook dat het Congres van Wenen heeft besloten dat hij de titel van koning mag aannemen. Drie dagen voor zijn terugkomst neemt Willem op 16 maart 1815 dan ook de titel Koning der Nederlanden aan.

 

Opperkamerheer

In 1816 wordt Van der Capellen commissaris-generaal en later gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Zijn hofcontacten blijven ook daarna goed. Namens Willem I woont hij in 1838 de kroning van de Britse koningin Victoria bij en maakt hij de troonsbestijging van Willem II in 1840 aan het Britse hof bekend. Hij is van 1841 tot zijn dood opperkamerheer van Willem II. Ook onderhoudt hij vriendschappelijke banden met de Franse koning Lodewijk Filips. Zoals het jaar 1815 een belangrijk moment markeert in het leven van Van der Capellen, zo is zijn lot ook verbonden met het revolutiejaar 1848. Hij is in Parijs als daar op 23 februari de revolutie uitbreekt en hij door een steen op zijn hoofd wordt geraakt. Dit incident is mogelijk mede de oorzaak van de krankzinnigheid, die hem ertoe brengt om amper twee maanden later zelfmoord te plegen.

Dirk Donker Curtius

Vanaf 2012 ben ik bezig met een promotieonderzoek naar Dirk Donker Curtius. Mijn promotor is prof.dr. Henk te Velde en copromotor is dr. Jeroen van Zanten. Mijn belangrijke motivatie om juist hem te onderzoeken is zijn onderbelichte rol bij de gebeurtenissen in 1848, wanneer Willem II een grondwetscommissie instelt en de ministers onder aanvoering van Donker de ontwerpen door het overwegend conservatieve parlement loodsen. Lees verder voor een uitgebreidere motivatie.

Publicaties van Donker

Dirk Donker Curtius was een productief publicist. Veel van zijn publicaties zijn inmiddels door Google gedigitaliseerd:

1825 Aanmerkingen op het besluit van den 5den october 1822
1830 Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag, eerste stuk
1831 Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag, tweede stuk
1833 Gemeenzame brieven over de gebeurtenissen van den dag, derde stuk
1834 De regtsmagt der hooge- en andere heemraadschappen betwist : pleitrede
1835 Beantwoording der verdediging van de regtsmagt der heemraadschappen
1836 Verdere bestrijding der regtsmagt van heemraden
1837 Iets over het nut der ijzeren wegen voor Nederland
1838 Een woord over de vraag door wien de ijzeren wegen moeten worden aangelegd en geexploiteerd?
1839 De onbevoegdheid van de helft der Leden van de Staten Generaal van het gesloopte Koningrijk der Nederlanden
1839 Pleitrede van Mr. Dirk Donker Curtius voor den Hoogen Raad der Nederlanden: ten behoeve van C.A. Thieme
1839 Orde
1840 Proeve eener nieuwe grondwet
1845 Aan alle vrienden van orde en vrijheid. Twee brieven

© 2019 Mathijs van de Waardt

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑